christendom en bewustzijn
nieuwetijdskindmagazine
nieuwetijdskindmagazine
nieuwetijdskindmagazine

Dit is een hoofdstuk uit het boek Dementie, bewustzijn en spiritualiteit van Hans Siepel.

Christendom en bewustzijn

In het christelijk dagblad Trouw van 25 juli 2009 stond een veelzeggend hoofdcommentaar, dat ons een inkijkje gunde in het gangbare christelijke denken over het menselijk bewustzijn. In het commentaar haalde de krant hard uit naar de in alternatieve kring bekende Christiane Beerlandt. Een paar dagen daarvoor had Trouw haar geïnterviewd. In dat interview stelde ze dat niemand ‘toevallig’ ziek wordt. Ziekten worden op een ander bewustzijnsniveau, het zielsniveau, gecreëerd, om zo het ego in de positie te brengen, zichzelf te ‘omgorden’ en het avontuur van bewustwording op te zoeken. Ziekten zijn dan te vergelijken met de oproep aan de helden in veel mythologische verhalen om de zoektocht naar de Graal te beginnen. Met deze diepzinnige, oude wijsheid heeft het christelijk dagblad Trouw, zo blijkt uit het hoofdcommentaar, weinig op.

Dat mag natuurlijk, maar daarmee kiest de hoofdcommentator – door dat te doen bevindt hij zich in goed gezelschap van materialistisch fundamentalisten als De Regt en Dooremalen – partij voor het eigen gelijk van het westers materialistisch denken. In alles ademt het commentaar de dominantie van het materialistisch bewustzijnsparadigma en mensbeeld. Het idee van bewustzijnsniveaus is onzin en wordt, zo verwijt de commentator van Trouw andersdenkenden, ‘ingezet om critici de mond te snoeren’. Met deze pennenstreek zet de commentaarschrijver van Trouw het gedachtegoed van moderne ‘wijsheidsleraren’ als Tolle, Krishnamurti en Carl Jung weg als ‘onzin’. Juist hun werk, als de moderne variant van een oeroud weten over bewustzijnswerkelijkheden, kan alleen worden verstaan vanuit de aanname van de multidimensionale aard waar werkelijkheid en mens mee zijn begiftigd. Het lijkt erop dat deze wijsheid niet tot het geïnstitutionaliseerde (christelijk) stoffelijk bewustzijn van het dagblad Trouw kan doordringen.

Ook sommige kerkelijke reacties op het boek van Van Lommel en zijn ideeën over een niet-stoffelijk bewustzijn, zijn veelzeggende illustraties. Het christendom heeft moeite met het vraagstuk van het bewustzijn, met het feit dat de werkelijkheid uit meerdere bewustzijnsdimensies opgebouwd lijkt te zijn en met de gedachte dat bij de stoffelijke dood ons bewustzijn transformeert tot een groter, eindeloos bewustzijn, dat zich in een andere bewustzijnsdimensie ophoudt. Ze lijkt niet te kunnen accepteren dat de idee van een hemel na de dood, niets anders is dan een metafoor voor de overgang van het stoffelijk bewustzijn, dat na de fysieke dood overgaat in een ruimer, Goddelijk geïnspireerd bewustzijn. In een interview in het blad van de uitvaartvereniging Monuta illustreert de bekende predikant Nico ter Linden dit onvermogen als hij stelt:

Niemand heeft antwoord op de vraag wat ons wacht na de dood. Ook mensen die klinisch dood zijn geweest, kunnen ons niet wijzer maken, om de eenvoudige reden dat zij niet aan de overkant van het graf geweest zijn. Er valt dus niets met zekerheid te zeggen, al wekken sommigen weleens de indruk. Fantaseren over het leven na de dood is wensdenken naar een geborgenheid in tijd en eeuwigheid. De wens is zonder twijfel de vader van de gedachte, de vraag is alleen of er niet ook een Vader is die dezelfde wens in gedachten heeft”.

Theo Boer, universitair docent ethiek aan de Protestantse Theologische Universiteit, verzet zich ook tegen de ideeën van Van Lommel van een niet-stoffelijk bewustzijn. Hij komt tot de –terechte – conclusie dat het impliciete godsbeeld van Van Lommel zeer verschilt van dat van het christendom. Over dat Godsbeeld uit het christendom komen we zo nog uitgebreid te spreken. Hier volstaat de constatering dat het christelijk Godsbeeld niet alleen personalistisch is, maar dat het ook een God betreft die, via zijn zoon Jezus, de van nature zondige mens genade kan verschaffen. Maar daar moet de gelovige wel wat voor doen. De moeite die Boer met Van Lommels visie heeft, is dat het erop lijkt dat ongeacht of ze een gelovig leven hebben geleid of niet, mensen na de dood in een soort van hemel terecht komen. Dat lijkt voor christenen een onverdraagzame gedachte. Dat is de achtergrond van de opmerking van Boer in het Nederlands Dagblad, waarin hij stelt:

Alle twijfels die ons een leven lang achterna zitten – heb ik niet te veel voor mijzelf geleefd, heb ik aan integriteit gewonnen of juist verloren, heb ik dat wat mij gegeven is, met liefde en respect beheerd – worden bij Van Lommel verzwolgen in de verzekering dat er licht, muziek, troost, feest en weerzien is aan gene zijde van de dood. (..) Net zoals we dokters moeten wantrouwen die geen fatale diagnoses stellen, moeten we een spiritualiteit wantrouwen die, voorafgaand aan een besef van genade, niet eerst aan zelfonderzoek doet”.

De conclusie moet zijn, dat in het collectieve (westers) christelijk bewustzijn zich toch vooral een stoffelijk mensbeeld heeft vastgezet. Daarmee lijkt de weg geblokkeerd om andere betekenissen aan geestesziekten, zoals dementie, te geven. Het christelijk bewustzijnsbeeld lijkt in niets op de rijke traditie van oude religies, mythen en sprookjes. Zagen we daar dat ‘het kwaad’ een metafoor is voor de macht van het egobewustzijn, de commentator van Trouw definieert het kwaad in geheel andere termen. Hij noemt het in de calvinistische traditie het ‘menselijke tekort’, waartoe de mens geneigd is te vervallen. De mens is een zondig wezen. Net als de neurowetenschappers die ons voorhouden dat altruïsme een afwijking van de evolutionaire ontwikkeling is. Op het moment  dat het ‘kwaad’ in morele termen wordt gedefinieerd en niet in bewustzijnstermen, wordt het zicht onttrokken aan de noodzakelijke rol en functie van het kwaad (een metafoor voor egobewustzijn) als de toegangspoort tot hogere bewustzijnswerkelijkheden. Dat is nog allemaal tot daar aan toe. Maar opmerkelijk is de behoefte, ook van de schrijver van het hoofdcommentaar van Trouw, om hen die zich ophouden in een rijke traditie van universele wijsheid, waar het bestaan van meerdere bewustzijnswerkelijkheden vanzelfsprekend is, weg te zetten als ‘zeldzaam hoogmoedig’.

Hoe kan het dat het dominante christelijk denken zo dicht aanschurkt tegen het stoffelijk mensbeeld en haar visie over bewustzijn? Waarom plaatst het zich zo uitgesproken vijandig tegenover hen die dragers zijn van een 5000-jarige wijsheidstraditie? Waarom zoveel moeite met bijna-doodervaringen? Vanwaar die fundamentele reserve om de werkelijkheid in termen van bewustzijnsdimensies te bekijken? Het antwoord vinden we in de ontstaansgeschiedenis van het Christendom. De grote betekenis van de vondst van de gnostische Nag Hammadi-geschriften en de Dode Zeerollen is dat ze ons beter toegang verschaft hebben tot de (wijsgerige) ontstaansgeschiedenis van het Christendom. Die ontstaansgeschiedenis laat zien dat de Christelijke kerk zoals we die nu kennen, de resultante is van een machtsstrijd met, terugkijkend, als wijsgerige inzet: het wezen van het menselijk bewustzijn. Op dit slagveld stonden twee partijen tegenover elkaar. Enerzijds de gnostici. Zij staan in de traditie van het niet-stoffelijk bewustzijn en zagen de mens primair als bewustzijnswezen en drager van meerdere bewustzijnsdimensies. Inclusief het hoogste, Goddelijk bewustzijn, Adamas. De figuur Jezus, was voor hen het symbool van deze Adamas, het hoogste geestelijke bewustzijnsprincipe, de Godmens. Het is het symbool van het christelijke bewustzijnsprincipe waar Tolle en Jung over spreken. De christelijke kerk heeft in haar ontstaansgeschiedenis steeds meer afstand genomen van deze uitleg en wijsheidstraditie en is, hoe paradoxaal dat ook op het eerste gezicht lijkt, mede de wegbereider geweest voor de uiteindelijke dominantie van het stoffelijk bewustzijnsprincipe. De christelijke kerk ontwikkelde zich in haar strijd met de gnostici meer en meer tot een ‘religie van het stof’. Daarmee heeft zij het zicht ontnomen op haar eigen gnostische wortels en zo mede de fundamenten gelegd voor een mensbeeld dat slechts is toegerust met een stoffelijk bewustzijn. Met alle consequenties voor het doorgronden van het vraagstuk van dementie.

Christendom en stoffelijk bewustzijn

Wie kennis neemt van dit strijdtoneel ontdekt dat de kerk meedogenloos te werk ging en een bloederige strijd leverde in het vernietigen van de oude wijsheden over het menselijk bewustzijn. In hun boek De mysterieuze Jezus. Was Jezus oorspronkelijk een heidense God? schetsen T. Freke en P. Gandy een onthutsend en ontluisterend beeld van deze strijd. Bibliotheken vol met oude manuscripten en wijsheidsteksten werden in brand gestoken en vernietigd. Volgelingen van oude mystieke waarheden werden vervolgd en ter dood gebracht. Niet alleen in de eerste fase van de geschiedenis van het christendom; het is een lange rode en bloederige draad in de christelijke geschiedenis. Zo slaagde de Kerk van Rome erin de gnostische uitleg van het Jezus-verhaal nagenoeg te vernietigen en haar eigen orthodoxe variant als enig zaligmakende te positioneren.

Maar dat niet alleen. Ze bouwde op deze orthodoxe variant een mensbeeld, dat niet alleen nieuw was, maar haaks stond op de lange wijsheidstraditie tot op dat moment. Zagen de oude wijzen religieuze verhalen en mythen als allegorische vertellingen waarin diepere waarheid en wijsheid over bewustzijnswerkelijkheden gecodeerd waren, het orthodoxe christendom moest daar niets van hebben. Ze ruilde de allegorie in voor historisch ware gebeurtenissen. Zo werd het Oude Testament een geschiedenisboek en werd Jezus niet het symbool van Goddelijk bewustzijn, maar een historische figuur die de fysieke zoon van God was, fysiek maagdelijk geboren en na zijn kruisdood na drie dagen weer fysiek, in zijn eigen lichaam van vlees en bloed, in de stoffelijke wereld herrezen. De christelijke kerk bouwde in haar verzet tegen haar gnostische wortels een soort van stoffelijke godsdienst met ‘stoffelijke’ dogma’s en leerstellingen. Ze schiep een stoffelijk God- en mensbeeld en in het verlengde daarvan een impliciet stoffelijk ‘zijn’ van ons bewustzijn. Met dat het wonder van de maagdelijke geboorte een fysieke aangelegenheid werd, verduisterde het zicht op de oorspronkelijke allegorische betekenis: de maagdelijke geboorte als symbool van het eerstgeboorterecht van de geest, het Goddelijke bewustzijnsdeel dat in ieder mens huist. Als gevolg daarvan plaatste de christelijke kerk God (het Goddelijke bewustzijn) buiten de mens. De mens werd gescheiden van Goddelijk bewustzijn en daarom zegt de christelijke orthodoxie nog steeds dat de mensen op de aarde geboren worden ‘gescheiden van God’. Maar niet alleen de mens onderging in vergelijking met de oude wijsheden een transformatie. Ook het Godsbegrip veranderde in de christelijke kerk. Van hoogste Geest of hoogste bewustzijn werd God meer en meer een persoonlijke, antropomorfe en stoffelijke God. Hij kreeg handen, een mond en een stem. Hem worden ook menselijke eigenschappen toegedicht. Hij kan jaloers en boos worden. Bedroefd, teleurgesteld en oordelend. Het is het beklemmende Godsbeeld dat de schrijver Jan Siebelink zo indringend beschrijft in zijn bestseller Knielen op een bed violen. Eigenschappen die, zo leren de helden van mythologie, juist moeten worden overwonnen, omdat ze toebehoren aan het lagere egobewustzijn. Een criticus uit de vroege christelijke jaartelling, Celsus, concludeert over dit ‘stoffelijk’ Godsbeeld:

De christenen zeggen dat God handen heeft, een mond en een stem, ze verklaren steeds maar weer dat ‘God dit zei’ of dat ‘God sprak’. ‘De hemelen verklaren het werk zijner handen’, zeggen ze. Ik kan alleen maar zeggen dat een dergelijke God helemaal geen God is, want God heeft noch handen, noch een mond, noch een stem, noch enig ander kenmerk dat we kennen. Hun leerstellingen verwijzen zelfs naar een God die rondwandelt in de tuin die Hij voor mensen heeft geschapen en ze spreken over Hem als zijnde boos of jaloers, wraakgierig, bedroefd, slaperig – kortom als over iemand die in ieder opzicht meer een mens is dan een God. 

Zo werd met de uitdrijving van het Goddelijke uit ons bewustzijn, de mens in de christelijke leer een zondig, van God gescheiden wezen. Geneigd tot, en we zeggen het Trouw na, ‘alle kwaad’. Zo sloot de christelijke dogmatiek onbewust een pact met de latere Darwinisten en evolutionair psychologen en biologen, die de mens ‘reduceerden’ tot dierlijke instincten en resultante van een evolutionair, stoffelijk proces. Slechts behept met een uit stof geboren bewustzijn. Verlossing is in de christelijke leer geen transformatie van het eigen bewustzijn, maar is slechts te bereiken door de aanvaarding van de christelijke leer: God als de enige God te aanvaarden en de historische Jezus als zijn enige uit de dood opgestane Zoon te erkennen.

De consequentie van een historische Jezus, als zoon van God die slechts één keer leefde, leidde binnen de vroege christelijke kerk noodzakelijkerwijs tot een andere kijk op de menselijke ziel dan bij de gnostici. De oude wijze ideeën over ziel en zielsbewustzijn sneuvelden, net als het idee van het Godsbewustzijn, op het slagveld. De overtuiging dat Jezus een historische figuur was, sloot uiteindelijk ook de mogelijkheid van reïncarnatie uit. Vanuit het idee dat deze Jezus als de rechtmatige zoon van God slechts één keer (stoffelijk) leefde, stierf en opstond, moest logischerwijs het menselijke aardse leven slechts als een eenmalige exercitie worden beschouwd. Het gevolg was dat een oude wijsheid over reïncarnatie terzijde werd geschoven. Uiteindelijk bleef in het christelijk denken over het bewustzijn van de mens niets over van de rijkheid van de hermetische mens als bewustzijnswezen, begiftigd met de Goddelijke geest, zielsbewustzijn en egobewustzijn. De christelijke mens is in vergelijking daarmee een armzalig, stoffelijk wezen, toegerust met slechts het zondige egobewustzijn. Het is dit mensbeeld dat nog immer in christelijke kring domineert. Het is de verklaring waarom het orthodoxe christendom zich zo verzet tegen de nieuwe spiritualiteit die het oude, volle mensbeeld heeft herontdekt. Het verklaart waarom de kerk zich zo te weer stelt tegen ‘alternatieven’ die denken in verschillende bewustzijnsdimensies van geest en ziel. Het geeft ook antwoord op de vraag waarom ze de alternatieve gezondheidszorg gereserveerd bekijkt en waarom het christendom zoveel moeite heeft met mediums, die vanuit andere bewustzijnswerkelijkheden contacten leggen. Het reikt ook de verklaring aan waarom christelijke autoriteiten zich zo weinig laten horen in het verzet tegen de medicalisering van ‘geestesziekten’. Waarom ze niet toestaan dat mensen met behulp van reïncarnatietherapie geholpen worden en waarom het christendom zo hardvochtig is in het oordeel over mensen die aan ziekten ‘als signalen van de ziel’ een andere betekenis dan slechts een toevallig noodlot toekennen.

Maar ondanks haar bloederige en hardvochtige strijd is het christendom er uiteindelijk niet in geslaagd haar claim op authenticiteit overeind te houden. Vooral de eerder gememoreerde vondst van de Nag Hammadi geschriften heeft de schijnwerpers gericht op het feit dat ook het christendom schatplichtig is aan de oude wijsheid die eraan voorafging en waar het uit voortgekomen is. In het kader van dit boek betekent dit dat ook de oorspronkelijke verhalende traditie van het christendom gelezen en begrepen kan worden als (gecodeerde) diepere wijsheid over het wezen van het bewustzijn. Ze past dan naadloos in de rij van mythen, andere religieuze tradities en sprookjes. Net als sprookjes en mythen zijn dan ook de Bijbelverhalen geen verslagen van historische gebeurtenissen, maar allegorische verhalen die inzicht kunnen geven in het wezen en mysterie van ons bewustzijn.

Zo is onder wetenschappers de historiciteit van Jezus, de grondlegger van het christendom, allang geen uitgemaakte zaak meer. De geschiedenis van het (wetenschappelijke) onderzoek naar deze Jezus heeft een waaier aan Jezus-beelden opgeleverd, die verre van eenduidig is en zeker niet het historische karakter onomwonden bevestigt. Terecht wijst Counet in het boekje De werkelijke Jezus, Jezus, Griek, Jood, Mens, God er dan ook op dat er een groot verschil bestaat tussen de ‘historische’ Jezus en de ‘werkelijke’ Jezus. Over dat laatste zullen we nooit enige zekerheid verkrijgen, omdat dat wat wetenschappelijk historisch wáár is, uiteindelijk ook niet meer dan een proces van betekenisgeving is van (vermeende) historische feiten. Wat wel vaststaat, is dat de ‘Jezus-figuur’ geen exclusieve verschijning van het christendom is.

Tot deze conclusie komen ook Freke en Candy in hun eerder aangehaalde boek. Op basis van gedegen onderzoek komen zij tot de vaststelling dat de Jezus-figuur past in de rijke mythologische traditie en zeker niet een unieke historische persoonlijkheid is. Het hart van de christelijke leer, dat Jezus de enige zoon van God is, is niet zo uniek als het christendom doet voorkomen. Het thema van de zoon van God, de Godmens, vinden we in tal van mythologische verhalen terug. Hij is de Adamas, die we leerden kennen als Osiris, Doornroosje, Assepoester of de Boeddha. Symbool van ons hoogste geestelijk bewustzijn. In de Griekse mythologie kennen we hem als Dionysos. Freke en Candy wijzen in hun onderzoek op de ‘verbluffende’ overeenkomsten tussen de verhaallijn over Jezus en die van de Griekse Dionysos. De mythe van Dionysos is overigens de Griekse versie van de oudere Egyptische mythe over Osiris. De overeenkomsten zijn de volgende:

  • Jezus is, net als Osiris, de verlosser van de mensheid. Hij wordt als Goddelijk wezen als mens geboren, net als Dionysos.
  • Net als Jezus wordt Dionysos (evenals Osiris en andere mythologische figuren) ‘maagdelijk’ geboren..
  • De geboorte van Jezus wordt net als de geboorte van Osiris en Dionysos door een ster aangekondigd.
  • Jezus verandert water in wijn tijdens een bruiloft. Een verhaal dat ook over Osiris en Dionysos bestaat.
  • Net als over andere wijzen wordt over Jezus verteld dat hij zieken geneest, boze geesten uitdrijft en doden weer doet opstaan.
  • Jezus heeft net als Dionysos twaalf discipelen.
  • Jezus rijdt vlak voor zijn kruisdood op een ezel Jeruzalem binnen. In de mythen berijdt Dionysos eveneens een ezel.
  • Net als voor de volgelingen van Dionysos spelen wijn en brood ook in het verhaal van Jezus een belangrijke rol.
  • Jezus sterft aan het kruis. Van Dionysos zijn afbeeldingen gevonden waar hij, net als Jezus, aan het kruis hangt.
  • Drie dagen na zijn dood staat Jezus op. Sommige mythen vertellen dit ook over Dionysos.

Jezus en bewustzijn

Het Jezus-verhaal lezen we niet als historisch verslag, maar als een variant van oude wijsheden over het wezen van ons bewustzijn. De maagdelijke geboorte van Jezus verwijst dan naar de geboorte van de eerste mens, Adamas, onze Godsvonk. Rechtstreeks uit God geboren, nog onbevlekt door het stoffelijke leven en het egobewustzijn. Zuiver geestelijk en Goddelijk. Als het ware, net als God zelf, uit zichzelf geboren: een maagdelijke geboorte. De maagdelijke geboorte van Jezus vertelt dus dat hij geboren werd als zuiver geestelijk, toegerust met een zuiver, hoger, bewustzijn, onaangetast door de machten van het kwaad en vertelt dat hij dus zo met recht kon claimen de zoon van God te zijn. Zoals we allemaal (geestelijke) kinderen van God zijn.

De dood aan het kruis en de opstanding na drie dagen symboliseren de strijd tussen de geest en het stoffelijk egobewustzijn, het kwaad, Satan. Een fysieke opstanding, zoals het christendom claimt, kan het niet zijn. Dat zou de overwinning van het stoffelijk bewustzijn betekenen. Een andere exegese ligt meer voor de hand: de opstanding uit de dood is hetzelfde als het wakker worden van Doornroosje: Jezus, het geestelijke principe, heeft het egobewustzijn overwonnen. De Graal is gevonden en de dood van het stoffelijk bewustzijn getransformeerd. Hij is toegetreden tot het eeuwige bewustzijn. In de oudheid werd het kruis als een heilig symbool gezien. De vier armen van het kruis symboliseerden de vier elementen van de stoffelijke wereld: aarde, water, vuur en lucht. De betekenis van Jezus aan het kruis is dan dat Jezus -als zuiver geestelijk- het vijfde element, de geest, symboliseert. De geest wordt, zo is de metaforische betekenis van de kruisdood, aan de stof gebonden. Zijn dood aan het kruis symboliseert de (schijnbare) overwinning van de stof over de geest. De kruisdood maakt de gevangenschap van geest en ziel in het lichaam zichtbaar. De opstanding van Jezus na drie dagen laat zien dat het slechts een schijnbare en tijdelijke overwinning is. Uiteindelijk overwint de geest. Het licht triomfeert over de kwade en duistere machten van het materiële bestaan. Het hogere bewustzijn triomfeert uiteindelijk over het stoffelijk bewustzijn.

In het verhaal van Jezus die zittend op een ezel Jeruzalem binnenrijdt, is hetzelfde bewustzijnsverhaal gecodeerd. Voor de oude wijzen stond de ezel symbool voor wreedheid, wellust, dwaasheid en onwetendheid. Kortom, het symbool van de macht van de stof en het egobewustzijn. Met deze wetenschap is de ezelrit geen symbool van nederigheid, zoals de kerk ervan gemaakt heeft, maar symboliseert het berijden van de ezel door Jezus dat hij, symbool van de geest, macht heeft over de stof en over het egobewustzijn. Jezus, de Adamas, is meester over het stoffelijke, gesymboliseerd in de ezel die niets anders kan dan Jezus ‘dragen’ en zijn bevelen opvolgen. De ezel is de geduldige drager zonder inzicht en wijsheid die de verlichte Jezus brengt waar de geest wil gaan.

Het heilig avondmaal van brood en wijn waar volgens het kerkelijk leergezag het lichaam en het bloed van Jezus mee gesymboliseerd wordt, getuigt van dezelfde overwinning van de geest. Het brood symboliseert het stoffelijke en de wijn de geest. Slechts door beide met elkaar te verenigen – het eten van het brood en het drinken van de wijn – wordt door dit mystieke huwelijk van beide elementen het stof door de geest overwonnen. Wijn heeft nog een andere betekenis. Wijn verdooft net als andere geestverruimende middelen het verstand en biedt de geest de gelegenheid het beperkende stoffelijke (ego)bewustzijn te overstijgen en tot andere bewustzijnswerkelijkheden te geraken. Daarom is de oude leermeester van Dionysos, Seilenos, altijd dronken. Hij is ontrukt aan de stoffelijke werkelijkheid en verkeert in hogere, mystieke sferen.

De gelijkenissen van Jezus zijn ook te begrijpen als wijsheden over ons bewustzijn en de opdracht die elk mens heeft om zich uit het gevang van het egobewustzijn te bevrijden. Zo spreekt Jezus in één van zijn gelijkenissen over de vijf dwaze en vijf wijze maagden. De eersten hadden niet genoeg olie om hun lampen brandend te houden, liepen daarom de bruidegom mis en konden niet naar het huwelijk. In tegenstelling tot de vijf wijze maagden. Met behulp van de route van de helden van de mythologie en dat van Tolle kan dit verhaal als volgt worden uitgelegd: de vijf dwaze maagden bleven ‘onbewust volmaakt’ steken in de eerste fase omdat ze de noodzakelijke strijd met de stof niet aangingen. Ze hadden niet genoeg olie, symbool van het onderscheidend denkbewustzijn. Vanwege dat tekort, het uit de weg gaan van de strijd in het leven, misten ze de bruidegom, het hogere zelf. En konden de staat van verlichting niet bereiken.

De gelijkenis over de verloren zoon handelt over eenzelfde spiritueel bewustzijnsproces. De zoon verlaat zijn huis, verkwist zijn bezit, raakt aan de bedelstaf en wordt door dit lijden gedwongen terug te keren naar huis. Zijn vader is niet boos of teleurgesteld. Integendeel. Hij houdt meer van hem dan ooit. De zoon die zijn huis verlaat, symboliseert de mensheid die uit het paradijs weg moet. Assepoester die haar stiefmoeder en zussen moet dienen. Weg uit het huis van God de Vader. In de wereld van de stof moet hij het zelf zien te rooien. Hij verkwist zijn bezit en raakt gevangen in de gevangenis van materie. In het huis van zijn vader was alles volmaakt, maar hij was zich er niet van bewust. Nu in de wereld van het lijden is hij bewust van het onderscheid tussen goed en kwaad, maar beseft hoe onvolmaakt hij en de wereld zijn. Uiteindelijk keert hij terug naar huis en de vader houdt meer van hem dan ooit. Omdat hij door het lijden zijn ware geestelijke afkomst teruggevonden heeft en nu ‘bewust volmaakt’ zijn vader omhelst. De liefde van zijn vader is groter dan ooit..

Oude testament

Dat wat voor het Nieuwe Testament opgaat, geldt ook voor de verhalen uit het Oude Testament van de Bijbel. Ook hier wordt de claim dat de verhalen uit het Oude Testament verslagen zijn van historische gebeurtenissen, steeds moeilijker vol te houden. Recente ontdekkingen uit de archeologie tonen aan dat veel van de Bijbelse verhalen niet als historische verslagen gelezen kunnen worden. Ook het Oude Testament is, net als al die andere heilige geschriften die met de menselijke geschiedenis zijn meegelopen, een bewaarplaats van de hoogste wijsheid, transcendentale kennis. Maar het is niet in de eerste plaats een geschiedenisboek. In hun boek De Bijbel als mythe; opgravingen vertellen een ander verhaal  komen Finkelstein en Silberman tot de conclusie:

Dat wil echter niet zeggen dat de archeologie heeft aangetoond dat het Bijbelverhaal in al zijn bijzonderheden waar is. Verre van dat, want intussen is duidelijk geworden dat veel gebeurtenissen uit de Bijbelse geschiedenis niet hebben plaatsgevonden in de tijd waarin of de manier waarop dat volgens de Bijbel zou zijn gebeurd. En sommige van de beroemdste gebeurtenissen uit de Bijbel hebben zelfs nooit plaatsgevonden.”

Zo is er geen bewijs te vinden dat de historische basis levert voor de verhalen over de aartsvaderen van het volk van Israël. Archeologen vonden geen bewijs voor het bestaan van een historische Abraham. Evenmin voor andere aartsvaders, zoals Isaak en Jakob van het Joods-christelijke geloof. Dat geldt ook voor het epos over de uittocht uit Egypte van het Joodse volk onder aanvoering van Mozes. Er is zelfs geen enkele aanwijzing dat de vroege Israëlieten in Egypte als slaven zijn behandeld. Er zijn geen teksten bekend die daarover spreken, geen opschriften in tempels die daar gewag van maken of andere bewijzen. Israël is opmerkelijk genoeg in alle documenten, geschriften en andere artefacten uit de veronderstelde periode van de exodus in de dertiende eeuw voor onze jaartelling, de grote afwezige. Het brengt Finkelstein en Silberman tot de slotsom:

Er zijn eenvoudigweg geen vondsten in Egypte gedaan die rechtstreeks in verband kunnen worden gebracht met het idee van een aparte buitenlandse etnische groep die een eigen gebied in de oostelijke delta bewoonde, zoals het Bijbelverhaal over de kinderen Israëls die samen in het land Gosen wonen (Genesis 47:27) wil zeggen.”

Dus is ook de uittocht uit Egypte, de daarop volgende lange tocht door de woestijn en de aankomst in het beloofde land, Kanaän, geen historische gebeurtenis geweest. Tal van archeologische bevindingen maken het uiterst onwaarschijnlijk dat de verovering van Kanaän onder aanvoering van Jozua, zoals de Bijbel vertelt, ooit heeft plaatsgevonden. Er kan geen twijfel bestaan dat een groep Duitse geleerden gelijk heeft die, volgens Finkelstein en Silberman, al lange tijd beweren dat het boek Jozua beschouwd moet worden als een ingewikkelde verzameling van legenden, mythen en andere verhalen over een tijdspanne van honderden jaren. Geen geschiedschrijving dus, maar bewaarplaats van (gecodeerde) universele wijsheid.

Hetzelfde oordeel treft de claim in het Bijbelse verhaal van het bestaan van een gouden eeuw onder koning David en Salomo. Tot nog niet zo heel lang geleden gingen wetenschappers ervan uit dat de verenigde monarchie van het Bijbelse Israël en Judea onder leiding van David en Salomo als geschiedschrijving kon worden gelezen. De Bijbel spreekt met groot gezag over David. Deze legendarische koning maakte Israël tot een grootmacht en zijn opvolger en zoon Salomo wordt in de Bijbel afgeschilderd als een zeer wijze koning met enorme rijkdommen en als een bouwmeester van formaat die de grote tempel van Jeruzalem liet bouwen. Maar ook hier dwingen recente vondsten van archeologen tot kritische zelfreflectie.

Veel van de archeologische pijlers die eens de historische basis onder de verhalen over David en Salomo stutten, zijn echter de laatste tijd ter discussie gesteld. De werkelijke omvang van het ‘rijk’ van David is onderwerp van een fel debat. Opgravingen in Jeruzalem hebben geen enkel bewijs opgeleverd dat het in de tijd van David of Salomo een belangrijke stad was. Er is alle reden de monumenten die eerder werden toegeschreven aan Salomo in verband te brengen met andere koningen.”

Als ook het Oude Testament geen geschiedenisboek is, dan mogen we aannemen dat net als het Jezus-verhaal de oudtestamentische verhalen zich voor een deel laten lezen als reflecties van de oude, universele wijsheden over ons bewustzijn. Ze passen in het rijtje van mythen en sprookjes. Het verhaal van de uittocht uit Egypte, de tocht door de woestijn en de aankomst in het beloofde land is dan een allegorie van het bewustzijnsproces in drie etappen. Het vertrek uit Egypte is de oproep aan de mythologische held om het avontuur te beginnen. De tocht door de woestijn is het leven in het stoffelijk bewustzijn. Afgescheiden van de Goddelijke vader. Het is de slaap van Doornroosje. De verovering en aankomst in het beloofde land is de bewustzijnstransformatie naar het hogere bewustzijn. De Graal is gevonden. Het bekende verhaal van Jacob en de ladder naar de hemel, symboliseert dezelfde oude wijsheid. De ladder als de metafoor voor de dimensies van bewustzijn. Tal van andere oudtestamentische verhalen kunnen zo gelezen worden.

Sprookjes en mythen symboliseren de strijd tussen het egobewustzijn en zijn Goddelijke tegenspeler, de geest, vaak als een strijd tussen twee personen. Assepoester en Sneeuwwitje nemen het op tegen de boze stiefmoeder. In veel mythen wordt de strijd gevoerd door broers of andere verwanten die tegenover elkaar komen te staan. In de Egyptische mythologie zijn dat, zo zagen we eerder, Horus en Set. In de Noorse mythologie zijn het Baldur en Loki. In de Griekse Zeus en Typhon. In de Chinese mythologie kruist de legendarische ‘Gele Keizer’ de degens met zijn aartsrivaal die het kwaad symboliseert, Chiyou. In de Hindoeïstische traditie zijn het de zonen van Dhrtarastra tegenover de zonen van Pandu.

In de Indiaanse mythologie zijn het de Heldentweeling en de Zeven Ara, Quetzalcoatl en Tezcatilpoca en Ormuzd en Ahriman, die het gevecht van goed en kwaad, geest en stof, symboliseren. Het Oude Testament voegt er nog een koppel aan toe: de tweeling Jakob en Esau, die in beider levensgeschiedenis nauw verwant zijn met hun Egyptische tegenhangers Horus en Set. Zij werden de heersers van Boven- en Beneden-Egypte. Ook Jakob en Esau zijn stamvaders van elk een volk en natie. In beide broers herkennen we de hoofdrolspelers: het egobewustzijn versus Adamas, de Goddelijke vonk. Jakob figureert als de geest en Esau is zijn tegenspeler. Dat Esau het egobewustzijn belichaamt, wordt ons in het wonderlijke verhaal van zijn geboorte al duidelijk. Het verhaal vertelt over een bijzonder kenmerk toen hij geboren werd. Esau wordt geboren met – voor een baby een opmerkelijke eigenschap – een beharing gelijk een mantel. Een mooi beeld van de Goddelijke geest die zichzelf onderdompelt en nagenoeg onzichtbaar wordt in het stoffelijke bewustzijn. De Goddelijke kern van Esau gaat verborgen onder een mantel van dik haar. Hoogtepunt van het verhaal is de verkoop van het eerstgeboorterecht door Esau aan Jakob. Jakob, na Esau geboren, wil dat recht hebben. De geest mag dan in de stoffelijke wereld gevangen zijn, zijn eerstgeboorterecht kan niemand hem ontzeggen. Want de (Goddelijke) geest is uit zichzelf geboren en niets is hem voorafgegaan. Hoewel het op het eerste gezicht lijkt dat Esau de verliezer is, is dat niet waar. Hij verkoopt uiteindelijk de valse machtsclaim op het eerstgeboorterecht. Het egobewustzijn is uit zichzelf niet in staat de heilige graal te vinden. Door dit te verkopen bewijst Esau zichzelf een uitstekende dienst.  Net zoals de mythologische helden hun ego moeten loslaten en ‘verkopen’, verkocht Esau zijn stoffelijke bewustzijn. Als absolute voorwaarde om zelf tot het koninkrijk van God te kunnen komen.

De voorbije alinea’s zijn een tocht geweest langs hoogtepunten van de menselijke verhalende geschiedenis. Ze hebben ons een kijkje gegund in de diepere betekenis van deze verhalen. Mythen, sprookjes en religieuze verhalen hebben hun ware aard getoond. Ze zijn vensters waardoor we toegang krijgen tot wat de oude wijzen zelf universele of transcendentale kennis noemden. Wijsheid vanuit een andere bewustzijnsdimensie. Vanaf de oudste mythen tot het moderne spiritualisme loopt er een rode draad door deze universele wijsheid. Ze houden ons voor dat het wezen van het ‘zijn’, bewustzijn is en niet-stoffelijk van aard. De werkelijkheid is opgebouwd uit diverse bewustzijnswerkelijkheden die allemaal tegelijkertijd bestaan. Dat geldt ook voor het diepste ‘bewustzijn’ van de mens. Ook hij is samengesteld uit bewustzijnsdimensies die te onderscheiden zijn in geest, ziel en stoffelijk bewustzijn. Of het nu het Jezus-verhaal is of de verlichting van Boeddha of de avonturen van Doornroosje of Assepoester; alle zingen hetzelfde refrein: het doel van het leven in de aardse stoffelijkheid is te komen tot bewustwording. Dat kan alleen gerealiseerd worden door het egobewustzijn te verslaan en te transformeren. Voorwaarde daarvoor is de onwetendheid en de ‘slaap’ over het wezen van de fysieke werkelijkheid te ontmaskeren. Zolang we vasthouden aan de illusie van de objectiviteit van de materialistische wetenschapsopvatting die voorschrijft dat de materialistische werkelijkheid de koning van het al is, zal de mens de graal niet vinden. Indien de illusie dat het bewustzijn een stoffelijk product is niet wordt ontmaskerd, zal menige individuele zoektocht naar geestelijk evenwicht onvruchtbaar blijven.

De materialistische bewustzijnsonderzoekers zouden zich in het licht van 5000 jaar wijsheid over bewustzijn, een tikje bescheidener moeten opstellen. Door vast te houden aan een visie die in historisch perspectief toch vooral als een afwijking van de dominante gedachtelijn moet worden gezien, neemt men een zware verantwoordelijkheid op zich. Ze ontnemen miljoenen geestelijk ‘ontheemden’ een mogelijkheid rust in het eigen bewustzijn te vinden. Omdat ze met fundamentalistische zekerheid vasthouden aan de idee dat bewustzijn niet meer is dan ‘chemische reacties in de hersenen’. Gelukkig, mede als gevolg van de ‘herbeleving’ van de oude wijsheden, groeit het verzet tegen de materialistische kolonisators van ons bewustzijn.

bewustzijn

 

3 REACTIES

  1. Zouden de ‘bedenkers’ en ‘ín-stand-houders’ van dit westerse materiële bewustzijn zich realiseren dat ze met het in stand proberen te houden van dit bewustzijn zichzelf gevangen houden in dat zelfde materialistische denken.
    Dank voor dit mooie artikel, het doet me weer realiseren op welke weg ik gegaan ben en nog steeds ga!!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Laat een reactie asch
vul je naam in