licht-hart

door Aad Hagendijk (psychiater)
Arts en psychotherapeut Samuel Pfeifer geeft hooggevoeligheid een romantisch tintje
Mensen hebben behoefte aan een verklaring voor het lijden dat hen overkomt. Door te begrijpen krijgen we immers meer grip op de dingen die ons overkomen. Zo ontstaan regelmatig nieuwe theorieën, die inzicht pogen te verschaffen in allerlei soorten levensverdriet. En iedere theorie vindt haar eigen aanhangers die, verenigd in belangenverenigingen, volgens het nieuwe inzicht gaan leven en zich in de publiciteit begeven op zoek naar erkenning.
Het drama van het hoogbegaafde kind is een typisch voorbeeld van dit verschijnsel. Hoogbegaafdheid is een populaire, want chique verklaring voor allerlei gedragsproblemen bij kinderen. Vorige maand werd echter een onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen gepubliceerd, waaruit bleek dat afwijkingen bij hoogbegaafde kinderen zich beperken tot het feit dat ze minder tijd aan hun huiswerk besteden en toch betere resultaten scoren. Maar voor gedragsproblemen vormen goed presterende hersens geen verklaring.
Een ander voorbeeld vinden we in het concept van de hooggevoelige mensen. De Amerikaanse psycholoog Elaine N. Aron bedacht het, uitgaande van haar eigen ervaringen en schreef er een aantal boeken over, die wereldwijd gretig aftrek vinden. Ook in Nederland is hooggevoeligheid inmiddels een bekend fenomeen, waarover in de populaire bladen met enige regelmaat wordt geschreven. Zo wijdde het vrouwenmagazine Eva er onlangs een hoofdartikel aan. Kennelijk is hooggevoeligheid een aansprekend concept, waarin velen zich herkennen. Omdat volgens Aron niet minder dan ongeveer 20 procent van de mensen een HSP, een ”Highly Sensitive Person” is, moet dat ook niet verwonderlijk zijn. Maar van een eigenschap die zo frequent voorkomt, kan de onderscheidende betekenis nauwelijks groter zijn dan bijvoorbeeld die van het hebben van blond haar. Ofwel: wat is het belang van het verbijzonderen van bepaalde aspecten van de normale verscheidenheid tussen mensen?

Fijnbesnaard

Ook de Zwitserse arts en psychotherapeut Samuel Pfeifer is van mening dat mensen met een hoge gevoeligheid een speciale groep vormen. Volgens Pfeifer was hij reeds op het spoor van de hooggevoelige mens voordat hij kennisnam van het werk van Aron. Hij schreef er een boek over, dat recent in het Nederlands werd vertaald: ”Hooggevoelige mensen. Leven tussen gave en kwetsbaarheid”.
Met zijn ondertitel geeft Pfeifer aan de idee van hooggevoeligheid meteen een romantische kleur. ”Gave en kwetsbaarheid” klinkt tenslotte vriendelijker dan ”stoornis” of ”syndroom”. Wat zou er met deze wereld gebeuren zonder sensitieve mensen? vraagt hij zich af. Het antwoord laat zich raden: Dan zouden de nuances en het fijngevoelig reageren verloren gaan. God heeft hooggevoelige mensen met belangrijke gaven uitgerust, maar als vanzelfsprekend hoort daar wel een zekere mate van lijden bij.

Om dat te benadrukken is het boek gelardeerd met verwijzingen naar kunstenaars, schrijvers en dichters, zoals Vincent van Gogh, Rainer Maria Rilke, Hermann Hesse en Henri Nouwen, die allemaal fijnbesnaard waren en elk op hun eigen wijze aan het leven hebben geleden. En Pfeifer lijkt de romantiek nog eens extra te willen onderstrepen door zich regelmatig nogal pathetisch uit te drukken.

Freud

Wat is hooggevoeligheid? Pfeifer benadrukt dat het gaat om een specifieke aanleg en niet om een ziekte. Het is echter een aanleg die het leven sterk beïnvloedt en gemakkelijk tot een ziekte kan worden. Sensitieve mensen nemen hun omgeving veel intensiever waar dan anderen. Daardoor kan bijvoorbeeld het horen van muziek voor hen een overweldigende ervaring worden. Ze voelen dingen die anderen nog niet waarnemen, hetgeen zich zelfs kan manifesteren als een paranormale begaafdheid. Op gewone dagelijkse ervaringen reageren ze echter ook veel heftiger, waarbij de reacties kunnen variëren van lichamelijke ongemakken tot emotionele ontregeling en angst. Het gewone leven kost hun daardoor heel veel energie. Hun neiging tot heftige reacties kan er vervolgens voor zorgen dat zich allerlei, voornamelijk psychiatrische ziektebeelden ontwikkelen.
Pfeifer concentreert zich in zijn boek op deze psychiatrische gevolgen van hooggevoeligheid. Daarbij doet hij wel een poging om de grenzen tussen sensitiviteit als gave en de overgang naar psychiatrische ziekten te markeren, maar in het geheel van zijn betoog blijft het verschil toch vaak onduidelijk.
Hij stelt dat bij sensitiviteit sprake is van een overgevoeligheid van dat deel van het zenuwstelsel dat verantwoordelijk is voor het goed functioneren van de interne organen, hetgeen gemakkelijk tot lichamelijke klachten aanleiding kan geven. Daarnaast is bij hooggevoelige mensen sprake van een psychische kwetsbaarheid, waarbij Pfeifer overeenkomsten ziet met het neuroseconcept uit de psychoanalytische theorie van Sigmund Freud. Pfeifer gaat echter onnauwkeurig om met de begrippen van Freud, om ze vervolgens voor zijn eigen sensitiviteitsconcept te annexeren.
Bij neurosen is er sprake van een innerlijk conflict tussen onbewuste wensen en strevingen met eveneens onbewuste normen en waarden. Hoewel een dergelijk innerlijk conflict daarmee noodzakelijk ook onbewust blijft, leidt het wel tot allerlei psychische of lichamelijke klachten. Pfeiffer legt de nadruk op de sterke wisselwerking tussen lichamelijke en psychische symptomen, waarbij hooggevoelige mensen de pech hebben dat zowel lichaam als geest op scherp staan afgesteld en in hun wederzijdse beïnvloeding een veelheid aan klachten kunnen veroorzaken.zit-meditatie

Jeugdervaringen

Pfeifer is tweeslachtig met betrekking tot de gedachte van Freud dat de oorzaak van een neurose is gelegen in vroegkinderlijke ervaringen. Enerzijds neemt hij afstand van vermeende trends in psychotherapie waarin ouders de schuld krijgen van het verdriet van hun inmiddels volwassen kinderen. Tegelijkertijd benadrukt hij dat bij sensitieve kinderen allerlei gewone ervaringen zo’n grote impact hebben, dat ze gemakkelijk bepalend worden voor de verdere vorming van de persoonlijkheid en de herinneringen die iemand later aan zijn jeugd heeft bewaard. Daarbij verbindt hij dus net als Freud problemen in het heden met ervaringen uit het verleden. Maar anders dan Freud benadrukt hij dat de gemoedstoestand in het heden bepalend is voor de kleur van de bril waarmee we naar het verleden kijken en dat veel verdriet dat in het geheugen bestaat in werkelijkheid triviale gebeurtenissen betreft. Mensen moeten zich niet verliezen in hun verleden of blijven steken in beschuldigingen jegens hun ouders. Pfeifer wil de aandacht richten op het heden en de toekomst, waarbij juist christenen bereid moeten zijn de eigen levensgeschiedenis met alle hoogte- en dieptepunten dankbaar te aanvaarden.
Dat betekent een waardevolle poging om ook in een therapeutische situatie recht te doen aan de roeping en de verantwoordelijkheid van de mens. De werkelijkheid leert echter dat mensen niet altijd in staat zijn om daadwerkelijk gestalte te geven aan dat wat ze goed achten en nastreven. En daar vindt dan volgens Pfeifer de overgang van sensitiviteit naar ziekte plaats.
In zijn verdere beschouwing legt hij vervolgens een verband tussen sensitiviteit en met name die geestesziekten die vanouds als neurotische stoornissen golden. Maar liefst 30 procent van alle psychiatrische problemen hangt volgens Pfeifer met hooggevoeligheid samen. Angsten, dwangstoornissen, depressies en ernstige persoonlijkheidsproblematiek – het kan volgens hem allemaal voortvloeien uit de kwetsbaarheid die hooggevoeligheid nu eenmaal is. Pfeifer is natuurlijk ook op de hoogte van de rol die erfelijke factoren bij deze stoornissen spelen en hij verwerkt deze met de overige bekende oorzaken in een samenhangend model, waarbij sensitiviteit de centrale factor is. Hij benoemt deze stoornissen samen als ”sensitieve syndromen”.

Milieu

Het aardigste hoofdstuk van Pfeifers boek richt zich op de vraag of we ziek worden van het milieu. In een uitgebreid overzicht laat hij zien dat bij mensen met functionele aandoeningen als bijvoorbeeld het chronisch vermoeidheidssyndroom nimmer een verband is aangetoond tussen hun klachten en de blootstelling aan elektromagnetische straling, amalgaamvullingen of andere schadelijke stoffen. Soortgelijke verbanden werden in het verleden ook verondersteld bij beelden als schrijfkramp bij secretarissen, die een gevolg zou zijn van de pas in zwang zijnde metalen pen, of de telegrafistenkramp, waarbij de oorzaak werd vermoed in het materiaal waarvan de toetsen waren vervaardigd. Maar Pfeifer wordt heel inconsequent als hij vervolgens in hooggevoeligheid toch een argument vindt waarom zijn subgroep, alle onderzoeksgegevens ten spijt, klachten ontwikkelt in reactie op omgevingsinvloeden.
Hoewel verschillende onderzoeken aantonen dat bij de betreffende ziektebeelden wel een relatie bestaat met psychische klachten, wordt dit door betrokkenen vrijwel altijd ervaren als een miskenning van hun klachten. Pfeifer stelt dat dit het gevolg is van de technische geneeskunde, waarin vrijwel iedere kwaal in beelden en getallen objectief zichtbaar kan worden gemaakt. Een onderzoek dat niets oplevert wordt door de patiënt ervaren als een verwijt dat zijn klachten berusten op inbeelding. De gang naar een alternatieve genezer ligt dan voor de hand, want uit het oogpunt van zijn lijden acht de patiënt de wetenschappelijke waarde van de geneeswijze niet van belang.

Persoonlijkheidskenmerken

Het is pikant dat Pfeifer het belang van wetenschappelijk bewijs zo expliciet onder de aandacht brengt. Zijn wetenschappelijke onderbouwing van het belang van hooggevoeligheid en de door hem veronderstelde relatie met psychiatrische ziekten is namelijk nogal beperkt. En hoewel geen psychiater zal ontkennen dat individuele kenmerken van een persoon medebepalend zijn voor het ontwikkelen van geestesziekten, is de suggestie dat één enkele karakteristiek, namelijk hooggevoeligheid, de kwetsbaarheid voor een grote diversiteit aan ziektebeelden uitmaakt nogal onwaarschijnlijk.
In de geschiedenis van de psychiatrie is reeds eerder getracht een dergelijke eenduidige relatie tussen bepaalde persoonlijkheidskenmerken en geestesziekte vast te stellen. In de jaren dertig van de vorige eeuw veronderstelde de psychiater Ernst Kretschmer een verband tussen lichaamsbouw en specifieke persoonlijkheidskenmerken, die op hun beurt weer verbonden waren met bepaalde psychiatrische aandoeningen. Kretschmers inzichten hebben hun waarde echter uitsluitend behouden als historische anekdote.
De waarde van Pfeifers boek beperkt zich wat mij betreft tot de duidelijke motivatie om aan patiënten in hun totaliteit recht te doen. Altijd op zoek naar een beter begrip van de patiënt en diens probleem, dient de hulpverlener zich voortdurend af te vragen in welke situatie deze bijzondere mens met zijn persoonlijkheid en levensgeschiedenis zijn problemen ontwikkeld heeft. Alleen zo wordt de patiënt geen geval.
Maar met de inhoud van het boek als zodanig heeft die waardering niet van doen.

uit het Reformatorisch Dagblad

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
vul je naam in