vlinder-steen

Wat is soefisme?

Het Soefisme is het mystieke pad van de Liefde. Het kwam tevoorschijn in de wereld van de Moslims in de achtste eeuw¸bij kleine groepjes zoekers die bekend stonden als “Reizigers op het Mystieke Pad.” Met hun diepe passie en verlangen naar God realiseerden zij de Waarheid als “De Geliefde,” en daarom werden zij ook bekend als “De Minnaars van God.” Later werden zij Soefis genoemd, mogelijk vanwege hun witwollen mantels (Sûf), of als aanduiding voor hun zuiverheid van hart (Safâ’).
Deze kleine groepjes kwamen samen rondom spirituele leraren en door de tijd heen ontwikkelden zij zich als broederschappen en ordes, waarbij iedere orde de naam van de initiator droeg.

De essentie van het Soefipad bestaat uit de speciale traditie die van leraar op de discipel overgaat in een ononderbroken ketting van overbrenging. Iedere Soefiorder en leraar heeft bepaalde oefeningen en principes om de reiziger te helpen tijdens de reis, om het vuur van verlangen gaande te houden in het hart en de aandacht gefocust te houden op het doel. De uitspraken en geschriften over het pad helpen de reiziger om de juiste houding en kwaliteiten te ontwikkelen en ook om inzicht te krijgen in de innerlijke gebeurtenissen die vaak verwarrend en verbijsterend zijn. De wegen van de liefde zijn heel anders dan die van het verstand. Het Soefipad heeft als doel de vereniging met God. De reis naar het doel is voor iedere reiziger uniek; het is de reis “van de ene naar de Ene.” Toch zijn er ook fasen die alle zoekers moeten doormaken: beproevingen, processen van zuivering en transformatie. Deze fasen hebben Soefimeesters of sheiks proberen te beschrijven. Als gidsen hebben zij het pad van het hart en de mystieke staten die onderweg ervaren worden, in kaart gebracht.

De leringen en geschriften van de Soefis beschrijven de reis van de ziel van afscheiding tot vereniging met God. Zij hebben met passie en met het diepe gevoel dat bij minnaars hoort, de fasen van de reis in grote trekken weergegeven, en ze geven advies aan de medereizigers. Soefiliteratuur biedt ons het rijke en gedetailleerde inzicht van de relatie tussen minnaar en Geliefde, een relatie die de kern van ieder mystiek pad is. Uit hun eigen ervaringen puttend beschrijven de Soefimeesters de innerlijke werking van het pad van liefde. Zij vertellen dat verlangen naar God onze onzuiverheden wegbrandt. Zij herinneren ons eraan dat de herinnering aan God ons dichterbij onze eeuwige essentie brengt en dat in momenten van totale wanhoop de Geliefde Zichzelf onthult: Hij die ver weg scheen wordt ontdekt als “dichterbij jou dan jij bij jezelf.” Zij delen hun glimpen van de essentiële eenheid van al het leven met eenvoud, openhartigheid en humor, en ze beschrijven de paradoxale natuur van deze mystieke reis.

De extatische Bâyezîd Bistâmî uit de negende eeuw, die geen geschriften naliet, staat bekend om zijn uitspraken als hij in een goddelijke staat van vervoering verkeerde, zoals “Glorie is met mij. Hoe groot is mijn verhevenheid!” Al-Junayed, die in de negende eeuw in Bagdad onderwees, was voorstander van een pad van soberheid en van integratie van de mystiek in het gewone leven. Tegelijkertijd sprak de prins van minnaars in Bagdad, al-Hallâj, over de essentiële vereniging van minnaar en Geliefde; werd ter dood veroordeeld omdat hij de mystieke waarheid uitriep: “Ik ben de Absolute Waarheid, (“anâ ‘l- Haqq”). In Nishapur in de elfde eeuw benadrukte de grote meester Abû Sa‘id ibn Abî-L-Khayr de noodzaak om het ego of de nafs uit te bannen en zo het pure Zelf te realiseren. Deze vroege mystici spraken in een directe en eenvoudige taal die anders was dan de meer geleerde en wetenschappelijke geschriften van sommige latere Soefis, zoals al Ghazzâlî, die aan het eind van de twaalfde eeuw eraan werkte om de leringenvan de Islam, de “sharî’a,” weer in overeenstemming met het mystieke pad, de “tarîqa” te brengen. Een eeuw later benadrukte de belangrijkste shaikh, Ibn ‘Arabî, die door velen de belangrijkste Moslimvertolker van de metafysische doctrine genoemd werd, het bestaan van Eén God en van de Vereniging van Zijn (wahdat al-wujûd). Een paar jaar na de dood van Ibn’Arabî begon Jalâluddin Rûmî, gewekt voor zijn spiritualiteit door de ontmoeting met de rondtrekkende mysticus Shamsi Tabrîz, één van de belangrijkste mystieke geschriften van alle tijden op te tekenen, het Mathnawî, een schatkamer aan spirituele overleveringen. Rûmî is de meest gelezen schrijvers van alle Soefischrijvers en de huidige vertalingen van zijn werk hebben het Soefisme meer bekendheid gegeven in het Westen. Maar hij is slechts één van de Soefis die, vanaf de achtste eeuw tot nu toe, gesproken en geschreven hebben over het pad van de liefde, over de pijn en de genade van het opengaan van het hart voor God. Iedere Soefimeester is beïnvloed door hen die hem voorgegaan zijn in de geschiedenis van de traditie. Maar belangrijker zijn de eigen ervaringen van de mysticus, zijn individuele vereniging met de Geliefde. Dit is de waarheid die door hun werk heen spreekt, of het nu de directe uitingen van de dronken Bâyezîd Bistâmî zijn of de metafysische werken van Ibn’Arabî. Taal en cultuur mogen met de tijd en de plek veranderen, maar de innerlijke werken van het hart blijven hetzelfde. De essentie van de mystieke zoektocht ligt voorbij tijd en plaats, voorbij iedere vorm. Wat de Soefimeesters over de liefde zeggen, spreekt tot allen die naar hun Werkelijke Thuis verlangen.  Zij helpen ons onze goddelijke natuur herinneren en zorgen voor wegwijzers op de weg terug naar ons innerlijke zelf. Deze minnaars van God spreken de directe taal van de spirituele ervaring, de taal die het geloof draagt van hen die de Waarheid geproefd hebben.

De Soefi zegt dat er zoveel wegen naar God bestaan als er mensen zijn, “zo veel als de adem van de kinderen van God.” Binnen ieder van ons is er de roep om “je verborgen ogen te openen en te komen, terug te keren naar de diepste wortel van je eigen zelf.” Deze reis van de ziel is de meest oorspronkelijke droom van de mens. Hij is het diepste doel van het leven. Op deze reis zijn we in gezelschap van al diegenen die ons zijn voorgegaan. Wij worden begeleid door hun voetafdrukken.

Llewellyn Vaughan-Lee, Ph.D.,

Honderd spirituele meesters hebben over het Soefisme gesproken. De eerste zei hetzelfde als de laatste. De wijze van uitdrukken was verschillend maar de betekenis was één: “het Soefisme laat alle eigenschappen
vallen.” En er is geen eigenschap voor je jouwheid. Het moment dat je betrokken
raakt op je eigen zelf, ben je van Hem afgesneden.
Abû Sa’îd ibn Abî-l-Khayr

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
vul je naam in