DELEN
ik

Ooit was er een tijd dat die vraag bij niemand opkwam, om de doodeenvoudige reden dat er toen nog niet zoiets als een ik-beleving of ik-gevoel bestond. Men handelde voornamelijk instinctief en gelijk  “kuddedieren” ging men volledig op in de groep. De grens tussen het leven op aarde en aan gene zijde was flinter dun, wat blijkt uit het levendige contact dat de bevolking generaties lang met hun goden en overleden voorouders had. Men was simpelweg één met alles, maar op een onbewust manier.

Overgeleverd aan de wil van de goden die voortdurend tevreden gesteld moesten worden, kende de mens geen eigenheid of persoonlijke wil. Dit blijkt ook uit de namen die bij de geboorte werden gegeven. Zo’n naam bepaalde iemands identiteit, maar verwees doorgaans naar een van de goden of voorouders.

Ten tijde van de oude Egyptenaren was het niet veel anders. Als onderhorige of slaaf was het merendeel der bevolking dienstbaar aan de farao of koning. Uitzonderingen waren de hoogste klassen, waaronder schrijvers, priesters en ingewijden. Uit inscripties blijkt, dat zij al in een vroeg stadium in de geschiedenis bekend waren met een staat van Zijn, en over zichzelf in “ik Ben-bewoordingen” spraken.

Hoe is dan toch dat “ik” ontstaan?

De eerste signalen dat er op grotere schaal een soort ik-beleving opdook, en men waarde begon te hechten aan de mens als individu, verschijnen ten tijde van de Griekse beschaving ongeveer vanaf 500 voor Chr.  Geleerden en filosofen begonnen toen afstand te nemen van de goden door rationeler te denken. De interesse voor het menselijk lichaam groeide, wat duidelijk blijkt uit de vele beelden, die de Grieken – zelfs de gewone man – van zichzelf lieten vervaardigen. Bovendien kwam het toen in de mode om een persoonlijke horoscoop te laten maken, waaruit de belangstelling blijkt die burgers voor hun persoonlijke omstandigheden kregen.

Weer enkele eeuwen later, spraken de Romeinen van ego, waarmee een persoonlijk “ik” werd bedoeld. Met name de christenen uit die tijd kwamen er tegen in opstand, zoals we in de Bijbel kunnen lezen. Zij maakten bezwaar tegen de pronk en praal van het ego en de zelfverheerlijking.  “Gij zult de persoon niet aanzien”, lezen we meer dan eens in het Nieuwe Testament.

De afdaling

Kortom, de geschiedenis leert dat men zich sinds de Griekse periode ging identificeren met de materie en het denken, wat wel wordt omschreven als een afdaling naar lagere, aardse frequenties.  Door deze afdaling kwam de gedachte aan een ego voorop te staan, en werd de oorspronkelijke Zijnservaring steeds verder naar de achtergrond verdrongen.

Het verband tussen deze ik-beleving en de afdaling in de materie wordt pas goed duidelijk, wanneer we het ego omschrijven als  “lager zelf” in plaats van “ik”. In hoeverre iemand zich identificeert met het lager zelf of  hoger Zelf, hangt dus af van de lagere of hogere frequenties waarop men zich af- stemt. Door een te lage afstemming verandert het hoger Zelf in de beleving van een ik, gelijk warmte overgaat in koude door lagere graden temperatuur. En daarmee wordt in ieder geval duidelijk dat ego en Zelf geen twee gescheiden of aparte onderdelen zijn.

Op dezelfde wijze zijn lagere en hogere gedachten, lagere emoties en hogere gevoelens, of een lagere en hogere wil het resultaat van deze afstemming.

Er is als het ware een lijn of trap te trekken tussen lagere en hogere frequenties, waarlangs je kunt afdalen of opklimmen. Zodoende kan het zuiver Zijn op verschillende niveaus beleefd worden: als “ik Ben”, als hoger Zelf, en in de laagste regionen als ik of ego.

Het ik als gedachte

Wat verder naar voren komt  is dat de ontwikkeling van het rationele denken van invloed moet zijn geweest op de ik-beleving. Het ik is namelijk niets anders dan een gedachte die uit dit denken voortkomt. Anders gezegd: de gewaarwording van een ik is niet wat je werkelijk Bent, maar degene die jij DENKT te zijn.

Het ik is een onwaar of onwerkelijk Zelf, dat gecreëerd wordt door lagere afstemming, met name door het lager denken.

Het ik wordt dan ook meestal ervaren als de denker, als een  “ik die denkt”. En wanneer men vraagt waar zit dat “ik”, dan is het antwoord steevast: “ in het hoofd”.

Ik en reïncarnatie

Het Hindoeïsme levert nog andere gegevens, die we als aanvulling kunnen beschouwen.

Het hoger Zelf (ofwel de Ziel) wil reïncarneren, om zich te bevrijden van het ego. Door de vele levens – die ons tot leerschool zijn – wordt het ego stukje voor stukje afgebroken. Men leert geleidelijk aan zijn ikkigheid af, waardoor de Ziel of het hoger Zelf zich vanzelf openbaart. Het ego wordt kleiner, het hoger Zelf automatisch groter. Dan wordt men uiteindelijk een maha-atma, een Groot Zelf, wat we terug vinden in de naam Mahatma Gandhi, maar bijvoorbeeld ook in het woord farao, dat Groot Huis betekent.

Ik als schaduwbeeld

Vooral in de psychologie wordt het ik of ego gezien als een schaduwbeeld van het ware Zelf.

Je kunt er op twee manieren tegen aankijken en mee omgaan.

1.Je kunt de schaduwzijde zien als een projectie. Het projecteert een persoonlijkheid, waarmee bedoeld wordt hoe iemand in de buitenwereld verschijnt. En zoals het licht altijd zijn schaduw afwerpt, zo is onze schaduw als persoonlijkheid altijd bij ons.  In dit opzicht hoeven we dus geen pogingen te ondernemen om onze schaduw weg te werken, want dit zal niet lukken. De vraag is alleen, of onze uiterlijke verschijning een uitdrukking is van het lager zelf, of van het hoger Zelf.

2.Het ego is als schaduwbeeld de duistere zijde in jezelf. Het staat voor de negatieve eigenschappen die door het ego worden geschapen, zoals angst, haat, ontevredenheid, onzekerheid, afgescheidenheid, egoïsme, egocentriciteit, etc. Wanneer je die onder ogen durft te komen, lost zij vanzelf op en ontstaat er geleidelijk aan meer contact met het ware Zelf. Immers duisternis verdwijnt, door het bloot te leggen en er licht over te laten schijnen.

Door de afstemming op lagere vibraties en identificatie met de materie, heeft het ego geleidelijk aan  extremere vormen aangenomen. Egoïsme en egocentriciteit vieren momenteel hoogtij. Niettemin blijft het hoger Zelf altijd in onszelf aanwezig als bewustZijn of Weten. Velen ervaren dit Weten als de innerlijke Waarnemer of Meester die in het Hart zetelt in plaats van in het hoofd. Het is dus deze innerlijke Meester naar wie wij kunnen luisteren, in plaats van te doen wat het ego ons opdraagt.

Lia

8 REACTIES

  1. "Wat is toch dat ik?".
    .
    Lijkt mij een gevalletje van een paar hersencellen die niet goed bij hun hoofd zijn.
    .
    Zo ben ik de ene dag Napoleon, de andere dag God en weer een andere dag de kat van de buren.
    .
    En wat die hersencellen je ook nog kunnen laten voelen en beleven, tis ongelofelijk.
    .
    Als ik Napoleon ben dan heb ik enkel trek in Paturain en stokbrood en zing liedjes zoals; je veux L'Amour.
    .
    Schijn ik nog te boffen, er zijn mensen waarvan hun ik nooit de gehele dag vrolijk en ontspannen is, die zijn ook spiritueel wat aan het zoeken want ze missen iets of zoiets.
    .
    "Niettemin blijft het hoger Zelf altijd in onszelf aanwezig als bewustZijn of Weten."
    .
    Het hoger Zelf en dat 'in ons' dat rijm ik effe niet. Wie is dan dat 'in ons/in mij'.
    .
    4 dagen niet geschoren en dan krijg je (vrouwen uitgezonderd, hopelijk) het volgende.
    .
    https://www.youtube.com/watch?v=0qFSyeLF0pQ.
    .
    Ik sta er Zelf van te kijken.

  2. "Men leert geleidelijk aan zijn ikkigheid af, waardoor de Ziel of het hoger Zelf zich vanzelf openbaart."
    .
    Zo is het maar net.
    .
    Al zal de ikkigheid zichzelf niet afleren of de onechtheid er van inzien.
    .
    De ikkigheid kan zichzelf wel zo schikken/voordoen dat het lijkt te zijn verdwenen.
    .
    Maar zolang er nog wrijving/weerstand/onvrede met de buitenwereld is, is er nog geen sprake van dat jij als Hoger Zelf het roer hebt overgenomen.
    .
    "Niettemin blijft het hoger Zelf altijd in onszelf aanwezig als bewustZijn of Weten. Velen ervaren dit Weten als de innerlijke Waarnemer of Meester die in het Hart zetelt in plaats van in het hoofd. Het is dus deze innerlijke Meester naar wie wij kunnen luisteren, in plaats van te doen wat het ego ons opdraagt."
    .
    Lastig hoor.
    .
    Het Hoger Zelf, 'in onszelf', innerlijke Waarnemer of Meester, Hart, 'naar wie wij', ego, ons.
    .
    Mijn hemel, wie ben ik?
    .
    Bedoel ik zo`n beetje mee; het lijkt me toch eerst fijn/handig dat de mens weet wat tie wel of niet is.
    .
    Mijn innerlijke Meester is bv dol op bitterballen maar het ego wil er slank uitzien want dat verkoopt zichzelf beter en zegt; veel te vet die troep.
    .
    En ik zit daar dan weer tussen in; nou wel of geen bitterballen.
    .
    Maar goed dat ik Hindoe ben.
    .
    Mooi stukkie Lia.
    .
    Dat moet het Hoger Zelf zijn geweest.
    .
    Ik kan het toch niet laten he.
    .
    Love is in the air.

  3. nou Lia, volgens mij is iets van "het ego" en het idee van een "ikje" bestaat al veel en veel en veel langer, zodra een samenlevingsvorm zich verder ontwikkelt dan kleine groepen jagers/verzamelaars, dus zeg maar sedentair gaat leven, in dorpen die dan langzaam groter worden, dan ontstaat er vaak vanzelf iets, dat zichzelf als een elite beschouwt en daarin zit altijd in "ik ben meer dan jij" en "jij bent minder dan ik", en dat moet zich ook altijd materieel uiten in mooie dure spullen, goud, zilver, en ach wat in een samenleving maar als waardevol wordt beschouwd (materieel dan), en als een leider van een clubje een keer een rijkje heeft, en er is een buurrijkje dat wat groter is, dan jaaaaaaa moet zijn rijkje ook groter en hup daar hebben we het oorlog, dat is allemaal ego gedreven, althans zo kijk ik er tegenaan en dat is al, zolang er stedelijke samenlevingen bestaan en dat gaat verder terug dan de grieken. Ik geloof er echt waar geen snars van dat mensen 2000, 3000 of 4000 jaar geleden wezenlijk anders zijn dan nu. Samenlevingen wel en de sociale context ook zeker, maar de gevoelens die wij mensen nu hebben, hadden ze toen allemaal net zo goed.

    • Ha Harma, dank voor je reactie. 🙂
      .
      Ik denk niet dat het altijd ging om “ik ben meer of minder dan de ander”, of elitair gedrag. Het jagersleven bracht andere motieven met zich mee dan landbouw en veeteelt. Zodra een gemeenschap zich uitbreidde, was er meer grond nodig voor het vee en voor waterputten. Daar werd dan vaak om gestreden, of onderhandeld. Ook bij droogte en hongersnood was men genoodzaakt om naar bezette gebieden te trekken. Veelal ging het dus om eerste levensbehoefte en de vraag is of je dit onder “ik-beleving” of elitair gedrag kunt scharen.
      .
      Om te overleven was duidelijk groepsbewustzijn nodig. Goud, zilver, edelgesteente werden oorspronkelijk gezien als krachtbronnen. Hoe meer goud, hoe meer uitstraling.
      .
      Uiteraard zullen deze opvattingen wel ergens in de geschiedenis zijn veranderd, maar het meest duidelijk komt dit toch naar voren tijdens die Griekse periode. Er is een voortdurende ontwikkeling. Het “ik-gevoel” zal naar een climax stijgen, waarna de mensheid weer terugkeert naar een staat van Zijn.

      • Ik wil er nog aan toevoegen dat het aanvankelijk om lager groepsbewustzijn handelde, d.w.z. om saamhorigheid en eenheid maar op onbewuste en instinctieve wijze. Ik noemde al de “kuddediermentaliteit”. Het lijkt mij dat er toen nog geen sprake was van ik-beleving, waarbij iedereen zijn eigen gang ging. Als eenling kon je immers niet overleven.
        .
        Juist de afwezigheid van een ik (gedachte, beleving) leidde ertoe dat men één was met de omgeving, de natuur, de kosmos en de ziel ervaarde van alles in de natuur. Bomen, de wind, de regen, de aarde, kortom alles had een ziel en werd beschouwd als levend waarmee men kon communiceren. Zo zag men ook overal goden, geesten en andere vreemde entiteiten.
        .
        Naar mijn idee verdwenen deze ervaringen naarmate de ik-beleving en gedachte sterker werd en door de opkomst van het wetenschappelijk denken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Please enter your comment!
vul je naam in